Uit ‘Metabletica of leer der veranderingen’ (1956) van J.H. van den Berg

Het eeuwigheidskarakter der 19e-eeuwse psychologie

De psychologen uit de vorige eeuw zouden opkijken, wanneer zij zagen met welk werk hun huidige collegae zich bezighouden. In hun tijd was de psychologie een voorname wetenschap, door oude banden gebonden aan de tijdeloze wijsbegeerte. De psychologen droegen er het stempel van. Zij zaten als wijsgeren achter een werktafel met boeken en fiches, en schreven theoretische betogen. Zij bestudeerden het verschil tussen waarnemen en fantaseren, classificeerden gevoelens en maakten een wetboek voor associaties. En als zij zich, gelijk na 1878 1 de gewoonte werd, een enkele maal wel van hun zetel verhieven, dan was dat om zich te begeven naar een laboratorium, waar proeven opgesteld waren, die trouw bleven aan de sereniteit der werkzaamheden in het studeervertrek. Trouw voornamelijk aan hun tijdeloze karakter. De psycholoog werkte voor de eeuwige wetenschap. Hij bleef ver van het dagelijks leven. De grenzen van zijn wetenschap legde hij in de muren van zijn instituut en in de wanden van zijn studeerkamer. Hij kon het zich veroorloven, want niemand vroeg hem iets.

De verdwenen gemoedsrust

In de 20e eeuw werd deze idylle verstoord. De gemoedsrust verdween. De psycholoog bereikten vragen, eerst enkele, toen meer, steeds meer, ten slotte zóveel, dat de tijd ontbrak ze alle te beantwoorden. Toch moest hij antwoorden, want de vragen, die hij hoorde, betroffen belangrijke zaken. Hoe moet ik mijn kind opvoeden? – kon de psycholoog de vader, die deze vraag

[p. 16]

stelde, teleurstellen? Hoe dien ik met mijn vrouw om te gaan? Welke houding zal ik als werkgever tegenover mijn werknemers aannemen? Hoe weet ik, of er bij de twintig sollicitanten één geschikte is? Hoe vind ik het bij mij passende beroep? Hoe word ik onberispelijk oud? – Men ziet het: belangrijke vragen, één voor één. Het is duidelijk, dat de psycholoog moest antwoorden.

De psycholoog leerde antwoorden

Hij antwoordde dus. Het ging hem bovendien goed af. Inderhaast ontwierp hij een respectabel systeem van onderzoek, ijkte het, paste het toe en vond de woorden tot het uitdrukken van conclusie en advies. Het vertrouwen in de psychologie groeide: men vroeg niet vergeefs. De psycholoog op zijn beurt groeide in het vertrouwen. Hij legde zijn gedachten neer in zakelijke artikelen, concrete boeken en praktische voorschriften. Vergelijkt men zijn publikaties met die van de 19e-eeuwse collega, dan is het verschil frappant. Het bespiegelend karakter ging bijna geheel verloren. De psycholoog heeft het over uiterst praktische onderwerpen. Hij kent de praktijk. Hij komt in de bedrijven en woonhuizen, in fabrieken en scholen, hij is te vinden in recreatieoorden en in opleidingscentra. Hij heeft zijn handen vol werk, en weet, wat hem te doen staat. Hij praat, onderzoekt, test, bespreekt, overlegt – en antwoordt.

Kan de psycholoog antwoorden?

Enkele psychologen aanschouwen dit alles met kritische blik. Zij zeggen niets minder dan dat de psycholoog, zijn outillage en woordkeus ten spijt, tot de meeste antwoorden geen recht heeft om de eenvoudige reden, dat de antwoorden ongefundeerd zijn. De adviezen suggereren een fundatie, die er in feite niet is.

Laten wij ons eens voorstellen, dat deze enkelingen gelijk hebben. Wat moet de psycholoog dan met de vragen beginnen? Hij leerde ze juist beantwoorden, moet hij ze nu alweer terugzenden? Moet hij de brievenbus blokkeren, deur en venster sluiten, en zich opnieuw wijden aan de oude en door de tijd beproefde onderwerpen? Het lukt hem niet: de vragers zullen hem weten te bereiken en uit hun vragen zal zoveel noodzaak – en zoveel vertrouwen – blijken, dat de psycholoog tests en bandrecorder weer uit de kast haalt en zijn werk hervat.

De vragen trouwens, men moet het toegeven, waren de oorzaak van zijn adviserende werkzaamheid. De psycholoog was er nooit op gekomen rapporten te maken en adviezen te ver-

[p. 17]

strekken, wanneer hem daarom niet dringend was verzocht. De 19e-eeuwse psycholoog kon zich de weelde der onbekommerdheid veroorloven, omdat niemand behoefte gevoelde één vraag te stellen.

Niemand vroeg

Wist men het dan? Wist men hoe een kind opgevoed moet worden? Wist men hoe men zijn vrouw moet bejegenen? Wist men hoe om te gaan met de werknemers? Kende men de listen en lagen der levensfasen en de gevaren aan hun grenzen? Wist men welk beroep het passende beroep is? Betwijfelde niemand the right man on the right place te zijn?

Het moet wel. Want niemand vroeg. Men heeft het vragen geleerd. Van wie of wat is duister, zeker niet van de psycholoog: vóór de psycholoog aan antwoorden dacht, kwamen de vragen. Maar wat is er dan gebeurd? Welke kennis ging verloren en hoe ging zij verloren?

Martin Buber en een modern onvermogen

Toen Martin Buber zich na een lezing in Czernowitz met enkele hoorders in een restaurant had teruggetrokken om en petit comité verder te disputeren, trad een jood van middelbare leeftijd het lokaal binnen, die, nadat hij zich bekend had gemaakt, de abstracte en voor zijn oren zeker ongewone besprekingen met grote aandacht volgde 2. Op de herhaalde vraag, of hij misschien iets in het midden wilde brengen, antwoordde hij ontkennend, maar toen het nagesprek beëindigd was, kwam hij naar Buber toe en vroeg om raad. Hij zei: ‘Ik wilde u dit vragen: ik heb een dochter, zij kent een jongeman, hij is jurist, hij kwam met lof door zijn examens, wat ik wilde weten is dit: is hij een oppassend man?’ Buber was door deze vraag verrast en zei: ‘Uit uw woorden maak ik op, dat hij vlijtig en bekwaam is’. Maar het ging kennelijk niet om dit antwoord, want de ander vroeg: ‘Vertelt u mij eens, is hij – dat wilde ik graag weten – is hij schrander?’ ‘Dat is nog moeilijker te beantwoorden’, zei Buber, ‘maar ik neem aan, dat hij met vlijt alleen niet bereikt kan hebben wat hij nu heeft’. Weer was de ander niet bevredigd. Toen stelde hij de vraag waarom het klaarblijkelijk ging. Hij vroeg: ‘ Herr Doktor, moet hij in de jurisprudentie of in de advocatuur?’

[p. 18]

‘Dat kan ik niet zeggen’, antwoordde Buber, ‘want ik ken uw aanstaande schoonzoon niet, en zelfs wanneer ik hem kende, zou ik u op dit punt geen raad kunnen geven’, Dankend, maar teleurgesteld nam de ander daarop afscheid.

In dit gesprek strandt een authentieke verwachting op een modern onvermogen. Buber had moeten zeggen: in de jurisprudentie! Of: in de advocatuur!

Hoe zo, kon hij dat dan weten? roept de moderne tijdgenoot uit. Ach arme, alsof weten een basis was voor doen. Natuurlijk kon Buber het niet weten. Maar dat werd ook niet van hem gevraagd. Gevraagd werd een oordeel, een raad. Een raad en een oordeel weliswaar passend in het geheel: passend bij die man, die zo binnentrad, zo vroeg, zo keek, en zo zijn handen bewoog, een man met vermoedelijk zo’n dochter, zeker, een raad passend in dit vage, wellicht uiterst vage geheel, in de eerste plaats echter een raad, een zekerheid, een wijs woord, een woord namelijk, dat in dit vage geheel structuur had aangebracht, een antwoord, dat bakens had uitgelegd, waarop een vaart ophoudt ongewis te zijn. In de advocatuur! Dit antwoord, uitgesproken door Buber, door een wijze, door een man, die zo spreekt en zo kijkt, een man, die kennelijk weet – dit antwoord zou het hechtste fundament zijn geweest voor de beroepskeuze van de aanstaande schoonzoon. Hoe zou hij nog hebben kunnen mislukken, wanneer zijn beroep was ingezet door zo’n advies? Het antwoord had de juistheid van het antwoord geschapen, het had waarheid gemaakt. Is waarheid, waarheid in de omgang van mensen, niet in de eerste plaats effect van een onbeduchte handelwijze van mens tot mens? Is waarheid niet in de eerste plaats resultaat, maaksel, schepping van de wijze? De wetende maakt toekomst, omdat hij spreekt.

Maar Buber is een modern man. Op de onverhoedse vraag – de vraag, die hem door haar onverhoedsheid, dat moest hij achteraf bekennen, de ogen had kunnen openen – op de onverhoedse vraag: is de verloofde van mijn dochter een oppassend man, zegt hij (alsof hij psychologie had gestudeerd): volgens uw woorden moet hij wel vlijtig en bekwaam zijn. Vindt u ook niet, had hij eraan toe kunnen voegen: wat vindt u er zelf van? – Men beseffe echter de consternatie, die dit antwoord verwekt. Het is niet te geloven, dat Buber de vraag terugwerpt. De wijze maakt een grap. Daarom nog eens: is hij schrander? Waarop dit onvermijdelijke, maar daarom niet minder onbehoorlijke antwoord: met vlijt – de vlijt, waarde vraagsteller, die u in de beschrijving van uw schoonzoon hebt genoemd en waarop ik

[p. 19]

mij dus kan beroepen – met vlijt alleen had hij het niet zover – zover namelijk als u, waarde vraagsteller, in uw vraag hebt aangegeven toen u zei: met lof door alle examens – met vlijt alleen had hij het niet zover kunnen brengen, vindt u zelf ook niet. Blijf van mij af, zegt Buber, verleid me niet, want ik (als modern mens) weet het niet, of liever, ik geloof ten stelligste, dat alle tussenmenselijk handelen op weten steunt, en aangezien ik niet weet, is het mij ontzegd te raden. Dan is ook zijn laatste antwoord begrijpelijk. Ik weet het niet, zegt hij, ik ken hem niet, ja al zou ik hem kennen, ik zou niet weten.

De psycholoog en het moderne onvermogen

De psycholoog is het met Buber zonder twijfel eens. Op diens plaats had hij hetzelfde gezegd. Maar hij had het er niet bij gelaten. Hij had gezegd: ik weet het niet en niemand weet het, u moet zo niet vragen, want op zulke vragen krijgt u alleen een fout antwoord. Wilt u een antwoord op uw vraag, laat u aanstaande schoonzoon dan eens bij mij komen.

Als de schoonzoon dan gekomen was, zou de psycholoog een lang en listig gesprek met hem gevoerd hebben, hij zou een paar onschuldig uitziende, maar nog listiger papiertjes uit de kast gehaald hebben en de aanstaande schoonzoon verzocht hebben een tiental inktvlekken te interpreteren, een serie halve zinnen aan te vullen en enkele onrustbarende plaatjes te beschrijven. Daarna zou hij de verkregen gegevens hebben uitgewerkt en het effect van zijn arbeid tot een zeker advies hebben samengevat.

Zo deed de psycholoog, doet hij thans nog zo? Het geloof in de juistheid van het zo gevonden advies is hem inmiddels enigermate ontnomen. Het werd duidelijk, ‘dat uit een test of psychologisch onderzoek niets blijkt over wat moet gebeuren, wat juist is, wat rechtvaardig is, of geschikt’ 3. Niets staat er; de schrijver cursiveert niet toevallig.

In dezelfde oratie staat, wat de psycholoog dan wel kan: hij kan ‘zijn kennis en ervaring ter beschikking stellen en zijn hulp kan slechts effectief zijn, voor zover deze kennisverrijking de cliënt van nut is, voor zover zij de cliënt de mogelijkheid en het uitgangspunt leert om zelf een uitweg uit zijn problemen of conflicten te vinden. Het inzicht, dat de psycholoog aan anderen

[p. 20]

geeft, kan van dienst zijn in hun persoonlijke problematiek. De uitweg uit deze problematiek behoort echter volledig bij de cliënten zelf te berusten, want het wijzen van een weg is, hoe dan ook, niet meer te putten uit de wetenschap’ 4.

De psycholoog zegt als het ware: gij weet niet, in welke richting uw beroep ligt? Bedenk dan wel, dat ik het ook niet weet. Echter ik kan met u praten, de kans is niet denkbeeldig, dat u en ik er samen uitkomen.

Het lijkt mij, dat deze woorden een groot en eerlijk arbeidsterrein voor de psycholoog openen. Toch heeft de oratie van Kouwer bij niet weinig psychologen verontrusting gewekt. – Eigenlijk behoorden zijn woorden ons aller ongerustheid te wekkeen. Want zij maken een geheim openbaar, dat niet toevallig met zoveel zorg werd behoed.

Wij weten het niet

Dat is de inhoud van het geheim: wij weten het niet. Eerst leek het of de psychologie de onwetendheid zou kunnen dempen. De opluchting, daardoor ontstaan, werd de leek in ruime mate deelachtig: de psycholoog weet het! Als mijn zoon niet weet, wat hij moet worden en ik weet het ook niet, wat tussen haakjes toch niet telt, dan is er de psycholoog, die het te weten kan komen, hij zal het zeggen en we zullen ernaar handelen. Als mijn dochter niet weet of ze met die jongen, met wie ze al zes jaar gaat, zal trouwen en ik weet het niet (van geen belang), dan is er de psycholoog, hij komt achter het geheim der affecties, differentieert er oedipale ongeriefelijkheden in, zegt hoe het moet, of verwijst naar de psychotherapeut, wat dan wel een tegenvaller is, maar – een baken. Alleen de psycholoog zelf, hij gelooft er niet meer zo in. Straks heeft zijn ongeloof zich voortgeplant tot in de vraagstellers. De verslagenheid zal groot zijn. Want men beseffe wel: de vraagsteller deelt de gewetensproblemen van de psycholoog allerminst, het gaat hem om zekerheid, het gaat hem om een antwoord, welk antwoord is van ondergeschikt belang. Hier staat het, wil hij zeggen, zwart op wit, in de advocatuur moet hij gaan, het staat er, nu niet meer chicaneren: in de advocatuur, in Godsnaam, of liever in naam van de psycholoog, ga in de advocatuur! Daar gaat het om. Deze bevrijding zoekt de vraagsteller. Waarom doet de psycholoog niet mee? Waarom komt hij niet tegemoet aan de

[p. 21]

oeroude dorst naar zekerheid, die zekerheid, welke gebouwd is op het woord van de wijze – in feite de enige zekerheid? Waarom plaagt hem een wetenschappelijk geweten, terwijl de vraagstellers hem wijzen op een ander en wezenlijker geweten, het geweten, dat zij luid maken in hun verontruste vragen? Heeft hij daartoe het recht?

De adviserende psychologie: een dubieuze noodbrug

Er is hier geen sprake van recht, hij is ertoe verplicht. Uiteindelijk grondt zijn scepsis niet op het langs wetenschappelijke weg verkregen inzicht, dat geen psychologie een advies kan steunen, dat de toekomst omvat, ten slotte komt zijn scepsis voort uit een onvermogen, waaraan iedereen lijdt, het onvermogen om in humane aangelegenheden te bouwen op de zekerheden van weleer. Zijn wetenschap hervindt de scepsis van Buber. Zijn wetenschap voert tot de erkenning van het (reeds lang bekende, doch geheim gehouden) feit, dat de kloof van niet-weten, die de een scheidt van de ander, en die iedereen scheidt van zijn toekomst, nietgedempt kan worden door de psychologie. In zijn wetenschap ontdekt hij de grond van zijn wetenschap, hij ontdekt, dat de psychologie een noodbrug is tussen oevers, die eertijds geen oevers waren, oevers, die oevers werden door het uiteensplijten van de bodem, waarop wij leven. In zo’n sterke mate ging dit verband verloren, dat geen wijze, ook niet de moderne aarzelende wijze die de psycholoog is, met zijn woord het verband kan herstellen of, bescheidener, overbruggen. Dat ontdekt de psycholoog van onze dagen.’

Verder lezen?

https://www.dbnl.org/tekst/berg097meta01_01/berg097meta01_01_0002.php

Maurice Delage ~ Lahore Un sapin isolé se dresse

De Veda’s werden sinds eind 18de eeuw bestudeerd en gelezen in Europa. Filosoof Schopenhauer zou er door beïnvloed worden. Ook kunstenaars, waaronder Beethoven, werden er door geïnspireerd. De fascinatie voor India gold eveneens voor Maurice Delage (1879-1961) die lid uitmaakte van de kunstenaarsgroep Les Apaches (samen met o.a. Ravel en Stravinsky). Hij nam vier Indiase gedichten en zette die op muziek. Ik post hier de tweede ‘Lahore “Un sapin isolé se dresse”‘, prachtig uitgevoerd door Anne Sofie von Otter.
Maurice Delage was één van de eerste componisten die een geprepareerde piano gebruikte (rond 1912).

Plotinus over schoonheid

‘Als hij nu dat ziet wat aan alle wezens uitdeelt en op zichzelf blijvend gaven verstrekt en niets in zichzelf ontvangt, terwijl hij volhardt in het aanschouwen daarvan, en ervan geniet als hij daar op gaat lijken, welk moois zou hij dan nog willen hebben? Want die schoonheid zelf, die bij uitstek schoonheid is en primair, doet haar minnaars mooi zijn en maakt ze beminnenswaardig.’ Plotinus.