Plotinus over schoonheid

‘Als hij nu dat ziet wat aan alle wezens uitdeelt en op zichzelf blijvend gaven verstrekt en niets in zichzelf ontvangt, terwijl hij volhardt in het aanschouwen daarvan, en ervan geniet als hij daar op gaat lijken, welk moois zou hij dan nog willen hebben? Want die schoonheid zelf, die bij uitstek schoonheid is en primair, doet haar minnaars mooi zijn en maakt ze beminnenswaardig.’ Plotinus.

Plaats een reactie

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.